woensdag 15 mei 2019

Dievegge


Op een verloren zaterdagmiddag moest ik naar Van Piere om wat te kopen. Samen met een vriend liep ik de boekhandel binnen. En ja, het moest mij weer overkomen. Het alarm ging af. Precies toen wij gelijktijdig de winkel binnenliepen was er een luid en duidelijk piepsignaal te horen. Doen alsof er niets aan de hand was, had geen zin met die herrie. Natuurlijk probeerde ik het wel en voorzichtig schuifelde ik samen met mijn vriend, die me vragend met gefronste wenkbrauwen aankeek, de boekhandel binnen, mijn ogen op de vloer gericht. Er kwamen mensen vanuit de kelder naar boven lopen. Zij hadden mij niet zien binnenkomen en zagen mij wellicht aan voor een dievegge die een boek naar buiten had willen smokkelen.

Een verkoopster kwam op ons toesnellen. Mijn tactiek van een ik-weet-van-niks had geen zin.
‘Het alarm ging af,’ zei ze uiterst vriendelijk.
‘Oh, ja… waren wij dat?’ stamelde ik.
Mijn vriend, alert als hij was, liep alleen door de deur om zo uit te vogelen wie van ons de schuldige was.
Het bleef stil.
Was ik het dan?
Het was onvermijdelijk om ook terug door de deur te lopen. Weer een luid gepiep.
Alle ogen waren nu op mij gericht.

‘Heeft u misschien iets nieuws aan?’
‘Nee, absoluut niet. Ik weet het zeker.’
‘Misschien een boek uit de bibliotheek?’
Kon een boek uit de bieb dan ook al een alarm veroorzaken? ‘Ja,’ zei ik opgelucht. We wisten nu de reden.

Het boek ging door de scanner bij de deuropening. Geen geluid.
‘Mag ik misschien in uw tas kijken?’ vroeg de verkoopster, nog steeds volop glimlachend. ‘Dan zal ik het proberen op te lossen.’

In mijn tas zaten proppen met krantenpapier. Het zag er niet uit.
‘Daar zitten wat kopjes in verpakt,’ zei mijn vriend verontschuldigend.

Nu ging de tas langs de scanner. Weer geen gepiep.

Ik kreeg een duister vermoeden waarom het alarm afging.
Vaag herinnerde ik me mijn nieuwe aankoop van twee T-shirts waarvan ik er eentje droeg.
Moest ik onopvallend onder mijn T-shirt gaan voelen naar een niet afgeknipte labeltje waarop stond: voor gebruik verwijderen. Was ik zo stom geweest het er niet af te knippen?
Ik trok mijn T-shirt omhoog en zag het labeltje zitten.

‘Ik bedenk me dat ik toch wat nieuws aanheb,’ zei ik schuldbewust en liet het harde stukje katoen zien.
De verkoopster pakte een schaar en knipte het eraf. Nu bleef het stil bij het in- en uitlopen van de winkel. Wat een gezeur om niets, dacht ik.
‘Geeft niet hoor, is mij ook wel eens overkomen,’ zei de verkoopster.




Even uitrusten


Wat was Kroatië toch mooi. Met Irene, onze twee dochters en onze zoon, waren we neergestreken op een terras in een dal met uitzicht op de bergen. Er kon ons niets meer gebeuren. We hadden de rit met ons caravannetje over een gammele houten brug overleefd. Niet alleen kraakte de brug bij het eroverheen rijden ook de afgrond eronder was dieper dan we aanvankelijk dachten. Niet voor niets waren we bijzonder opgelucht zonder schrammetje een restaurant te hebben gevonden. Nu wilden we niets liever dan even uitrusten en iets eten en drinken.
Na een half uur op het terras was er nog steeds geen ober de bestelling op komen nemen. Naast ons zat ook een familie met kinderen ietwat beteuterd om zich heen te kijken. Zonder eten. Zij spraken Kroatisch. We verstonden er geen woord van.
Maar goed, onze kinderen kletsten honderduit over de krakende brug. Super cool vonden ze het allemaal.
Eindelijk na driekwartier kwam er een vrouw met grote stappen op ons toelopen. Ze had zowaar een blocnote bij zich.
‘Was wollen sie?’ snauwde ze in het Duits.
Haar ogen waren rood alsof ze gehuild had.
‘We zouden graag een hapje eten mevrouw,’ zei ik in mijn beste Duits.
‘Was?’ zei ze luid. ‘ Sag es mir.’ Onze kinderen trokken grimassen van de lach om de lompe behandeling.
Ik bleef rustig en wees op de kaart aan. De kinderen worstjes met appelmoes en wij vis, groente en gebakken aardappelen.
Zonder verder iets te zeggen keerde ze om en verdween naar binnen.
‘Wat een mens,’ zei onze jongste zoon. Hij gooide een paar muesli repen op tafel en zette er wat blikjes cola bij die hij uit de caravan had gehaald. Zo hadden we tenminste iets.
Na anderhalf uur was ons eten er nog niet. Er was geen ander restaurant in de buurt voor zover we wisten. Onderweg waren we niets tegengekomen. Er zat niets anders op dan te wachten.
We gingen maar kaarten. De bergen rondom ons waren prachtig. Je rook de bloesem van de bomen die volop in bloei stonden, het sublieme vakantiegevoel.
Mijn dochter kwam terug van de wc en zei: ‘Ze hebben ruzie. Ik denk dat de kok haar man is. Hij sloeg een arm om haar heen. De vrouw werd kwaad en wees op haar horloge. Omdat we nog steeds geen eten hebben natuurlijk. Ze waren aan ’t schelden, niet meer normaal.’
Even later zagen we de kok naar buiten komen. Ik stak mijn hand onmiddellijk op. Hij kwam op ons toe zwalken. Er hing een bierlucht om hem heen.
‘We wachten al ruim twee uur op ons eten,’ zei ik.
Hij gooide zijn armen in de lucht en liep weer naar binnen. Ik had het niet meer en begon hard te lachen. Het leek wel een klucht. Ook onze Kroatische buren op het terras hadden nog steeds niets te eten.
Na drie uur wachten kwam het eindelijk. Erg vonden we het niet. We hadden ons vermaakt en waren goed uitgerust.
Er werd ons wel iets heel anders geserveerd dan we besteld hadden. Het was niet bepaald wat we verwacht hadden maar alla we hadden honger en wilden verder niet moeilijk doen. Als hongerige wolven vielen we aan. Was dit nou Kroatisch eten? Het smaakte heerlijk.
Ik had mijn bord ongeveer leeggegeten en keek met één oog naar het gezin naast ons. Ze kregen nu ook hun bestelling. Het eten kwam me bekend voor. Worstjes met appelmoes, groente, vis en gebakken aardappelen.


De dirigent



Pas geleden ben ik met een vriendin naar de film ‘De Dirigent’ geweest; een film over passie, liefde en het dirigentenvak. Een waargebeurd verhaal over een vrouwelijke dirigent die eind jaren twintig furore maakte door haar ambitie een symfonieorkest te dirigeren.
Zeker voor mensen zoals ik die van muziek houden, een prachtige film. Hier en daar is er een vleugje romantiek doorheen verweven. De hoofdpersoon, Antonia Brico, moet kiezen tussen haar grote liefde of de muziek. Iets waartussen ze moeilijk een keuze maken kan.
Deze tweede verhaallijn geeft het verhaal meer diepte omdat het laat zien hoe het gewone leven door gaat.
De film is niet alleen bijzonder omdat Brico laat zien hoe je met doorzettingsvermogen en passie je dromen waar kunt maken, zij vertelt ook het verhaal van een  dirigent die de grote symfonieorkesten leidt.
Er wordt Engels en Nederlands gesproken in de film en als de bekende Nederlandse acteur Gijs Scholten van Aschat, die de beroemde dirigent Mengelberg speelt, in beeld komt dan lijkt het of hij verzeild is geraakt in een Hollywoodfilm. De sfeer, de muziek en de geweldig acterende acteurs hebben alle glamour die een goede film uit Hollywood heeft. Antonia Brico, gespeeld door Christanne de Bruijn speelt met overtuiging haar rol als dirigent. De film, die je meeneemt naar eind jaren twintig, boeit van het begin tot het einde.
Qua inhoud is het een item over vrouwenrechten. Zelfs vandaag zijn vrouwelijke dirigenten aan de top een zeldzaamheid. In ons land is er dit jaar pas voor het eerst in de Nederlandse geschiedenis een vrouwelijke chef-dirigent bij een groot symfonieorkest aangenomen: Karina Canellakis. Zij dirigeert het Radio Filharmonisch Orkest.
Antonia Brico was destijds de eerste vrouwelijke dirigent ter wereld die met succes grote symfonieorkesten dirigeerde. Ze kreeg nooit een vaste aanstelling als dirigent en bleef altijd gast-dirigent. Ook kreeg ze in het begin van haar carrière het advies om niet naar het conservatorium te gaan.
Het belette haar niet om door te gaan met haar grote passie: muziek maken en dirigeren. En daar gaat het uiteindelijk toch allemaal om; je dromen achterna gaan en die waarmaken.


woensdag 6 maart 2019

Het paradijs

Naar aanleiding van de poëzieweek leende ik een bundel van Judith Herzberg uit de bibliotheek.
Laatst midden in de nacht pakte ik haar bundel uit de kast. Simpele gedichten zonder poespas en overdreven veel regeltjes. Mijn oog viel op het volgende gedicht:

HIERNAMAALS

Als ik, nadat ik dood ben, nog
ergens rond mag dolen, laat het dan
op de markt zijn, in geur en kleur.
En mag die markt dan open zijn
onder de blote hemel. En mag ik dan
als vroeger met mijn moeder
zo’n puntzak gloeiend hete frites
(met veel zout uit zo’n gebutste
strooibus) met haar delen.

Hoe simpel kan de gedachte aan het hiernamaals zijn.

Pas geleden is de J.M.A. Biesheuvelprijs uitgereikt aan Maria Vlaar voor de mooiste verhalenbundel van het jaar, Diepe aarde.
DWDD besteedde aandacht aan de Week van het Korte verhaal en er werd een grandioos mooi verhaal van de schrijver Maarten Biesheuvel voorgelezen: DE DIENST. Hoe het verplaatsen van de top van een berg in zijn werk gaat. Het gaat er niet om of alles echt mogelijk is wat Biesheuvel schrijft. Het gaat om het verhaal an sich.

De surrealistische schrijfstijl laat je geloven dat het kan, ook al kan het niet uitgelegd worden.
Fijn om te horen. Het zal een hele opluchting voor veel schrijvers zijn. Ook ik krijg wel eens kritiek als ik fictie schrijf of alles wel klopt. Ik moet me er dus niet zo druk om maken zo lijkt het. Schrijven en je fantasie botvieren op papier. Al het onmogelijke al schrijvende waar laten worden en fantasie met absurdisme laten versmelten. Dat is ook een stukje paradijs.


dinsdag 5 maart 2019

Minpuntje

Ik ben niet meer zo op de hoogte van het leven van een roker. Ik rook al bijna twintig jaar niet meer en veel rokers in mijn omgeving heb ik niet.
‘Ik ga even een shaggie roken,’ zei een kennis na afloop van een concert in het muziekcentrum. Ik was verbaasd. Mocht en kon je dan nog roken in openbare ruimtes? Was er toch nog een hoekje voor rokers?
‘Rookt er niemand met me mee?’ vroeg ze.
‘Ik hoef nu even niet,’ zei een derde.
Ik vond het sneu voor haar om alleen te moeten roken en zei: ‘Ik ga wel met je mee om je gezelschap te houden. Waar gaan we naar toe?’
‘Kom, ik weet waar we moeten zijn.’ Het was behoorlijk druk en we wrongen ons overal tussendoor met geduw en ‘sorry’ geroep. We liepen naar buiten waar drie mensen in het donker onder een parasol stonden te roken. Het was behoorlijk koud en het miezerde. Niemand had een jas aan.
‘Handig die parasols, houden de regen tegen,’ zei ik. Ik wreef met mijn handen over mijn armen. ‘Brrr koud…’
Al gauw raakte de kennis aan de praat met de drie andere rokers. Ze had mij helemaal niet nodig. Had ik kunnen weten door mijn vorig leven als roker. Rokers, het viel niet te ontkennen, waren gezellige mensen onder elkaar. Soms miste ik m’n sigaret en de saamhorigheid met andere rokers. In de loop van de jaren was het steeds moeilijker geworden om te roken. Het werd overal verboden en zelfs privé hadden vrienden van mij een bordje ‘niet roken s.v.p.’ neergezet in de woonkamer. Het idee steeds meer een uitgestorven diersoort te zijn, deed me besluiten te stoppen.
Inmiddels waren er weer een paar man bij gekomen die driftig aan het paffen waren. Ik bestierf het onderhand van de kou.
‘Heb jij het niet koud?’ vroeg ik aan die kennis van me.
‘Nee, ik heb speciaal een dik vest aangedaan.’ Mooi, ze had erop gerekend.
‘’t Valt wel op. Niemand heeft een jas aan,’ zei ik en knikte met mijn hoofd naar de mensen die aan het roken waren.
‘De jassen hangen beneden in de garderobe, dan zou je die eerst moeten halen en kan je daarna pas gaan roken…’
Ze rookte het shaggie tot op het laatste stukje op. Ze brandde haar vingers haast.
Een jongen met krullen, die stond te roken bij de schuifpui, kwam bij ons staan. Ik schatte hem een jaar of twintig jonger dan ik. Hij keek naar me, zei iets tegen mijn kennis en stootte haar aan.
‘Die krullenkop zei dat er wel een minpuntje was,’ zei de kennis.
‘Hoezo?’ vroeg ik. ‘Wat was een minpuntje?’
‘Dat ben jij. Dat je niet rookt.’
‘Lijkt me een pluspuntje.’ Ik lachte.
‘Nee, hij zei dat het een minpuntje was.’




dinsdag 15 januari 2019

Nederlanders, een bot volkje?

Nederlanders zijn bot en direct dacht ik altijd. Is dit eigenlijk wel zo?
Ik sprak af met een vriendin, die ik een tijd niet gezien had en vroeg wat zij hiervan vond. Op een laatste heerlijke nazomerdag lunchten we uitgebreid en raakten aan de praat.

‘Over botheid gesproken,’ zei ze, ‘tegen mij hebben ze een keer gezegd’: “Dat ziet er ook niet uit, dat kapsel van jou.” En: “Goh, je bent wel dik geworden, zeg.’”
Wat is de definitie van botheid en wat is het verschil met interesse, vroegen wij ons af. Als je bijvoorbeeld vraagt ‘Wat doe jij zoal in het dagelijks leven?’ Is dit dan interesse of botheid omdat sommige mensen zich ongemakkelijk bij zo’n vraag voelen?

’s Avonds skypete ik met een Engelse vriend, die vanaf zijn zesde in Engeland woont en lesgeeft op een universiteit in Nederland. Hij pendelt dus heen en weer tussen Nederland en Engeland.
Engeland is bij uitstek een beleefd volk, zou je zeggen. Tot mijn verbazing haalde hij toch mijn gesprek van die dag met mijn vriendin helemaal onderuit.
‘De Engelse en Nederlandse cultuur zijn ongeveer hetzelfde,’ zei hij. ‘En ik vind Nederlanders niet bot.’
Op mijn vraag of Nederlanders dan niet veel meer voordringen als ze bijvoorbeeld ergens in een rij staan, antwoordde hij: ‘Netjes in de rij staan, is er bij de Engelsen ook al lang niet meer bij. En als ik bij jullie les kom geven op de universiteit, dan geven studenten mij soms een hand, dat doen ze bij ons in Engeland niet hoor.’

Zijn Nederlandse moeder, ook voor de helft Engels, zei: ‘Je weet niet wat je aan de Engelsen hebt, ze draaien erom heen.’

Ik moest denken aan mijn vriendin, waarmee ik geluncht had: ‘botheid is iemand pijn doen,’ zei ze. En ik dacht: Geef mij dan maar wat pijn in plaats van alles te verbloemen, zodat je weet waar je aan toe bent.

Ach, misschien valt het allemaal wel mee met dat ‘botte volkje’ en zijn we gewoon wat directer dan andere mensen.



woensdag 26 september 2018

Reynolds

Voor zijn vakantie naar Italië had mijn vader onze caravan volgepakt met sigaretten. In de bovenkastjes, in de dekenkisten en in een paar boodschappentassen zaten sloffen met Reynolds sigaretten in witte plastic tasjes. Niemand wist hiervan.






Bij de Zwitserse grens aangekomen, biechtte hij het ons op. Er werd intensief gecontroleerd bij de douane en mijn vader had duidelijk veel te veel sigaretten meegenomen. Hij zwoer bij zijn eigen merk Reynolds en was bang tekort te hebben gedurende de vijf weken in Italië. Aangezien er maar een beperkt aantal sigaretten per persoon mee mochten kwam mijn vader met een oplossing.
‘Jullie roken ook Reynolds,’ zei hij tegen mijn niet rokende broer en moeder. ‘En jij rookt ook mijn merk in plaats van shag,’ zei hij tegen mij, die een pakje Drum mee genomen had.

Zoals gepland reden we door de douane, acteurs in onze nieuwe rol als Reynolds rokenden. Op het  dak van de auto hadden we een Laser, een kleine zeilboot.
‘We gaan naar Sempach,’ zei mijn vader, tegen de douanebeambte. ‘Zeilen op het meer.’ Hij vertelde er niet bij dat we maar één nacht in Zwitserland zouden blijven om daarna door te rijden naar Italië. Toeristen die aan het meer van Sempach in Zwitserland verbleven, werden niet gecontroleerd en we reden ongehinderd verder. Gelukkig voor ons konden we het ingestudeerde riedeltje achterwegen laten.
Op latere leeftijd lukte het mijn vader om te stoppen met roken. Hij had het vaak erg benauwd. Ik zie me nog rennen om zijn inhalator te bemachtigen, in de hoop dat hij er niet in zou blijven.
Uiteindelijk is hij er toch aan overleden. Zijn hart stopte ermee. Het moest te hard werken als hij weer een aanval van benauwdheid kreeg. De erfenis die mijn vader achtergelaten heeft, zijn herinneringen aan een naar adem snakkende man, die mij hebben overtuigd om het roken toch maar te laten. Ik was een fanatieke rookster. Een pakje per dag vond ik niet te veel. Vier jaar na zijn dood ben ik gestopt.
Dank je wel.