zaterdag 4 april 2020

Qui-vive

Anderhalve meter afstand houden bij de kapper is nogal moeilijk.
Mijn moeder van 88 moest nodig geknipt worden. Nu kon het nog. Wie weet moesten straks de kappers uit veiligheidsredenen ook dicht. Toch besloot ze maar niet te gaan. Haar fysieke conditie is niet optimaal en ze behoort dus tot de kwetsbare groep van de samenleving. Gelukkig was ze op haar qui-vive en had dan ook meteen een oplossing. Of ik een haarband voor haar wilde kopen. Haar anders zo kortgeknipte haar begon al over haar oren te groeien.
‘Anders valt het straks voor mijn ogen.’
Dus ik naar de drogist om een mooie haarband uit te zoeken die bij haar grijze haren paste. Het werd een olijfgroene.  Ze deed hem om zonder in de spiegel te kijken. Scheef trok ze hem om haar hoofd. Als een verwilderde hippie keek ze me aan. ‘Hoe vind je het?’ 
Ik bedacht dat het haar goed stond. Met dan de versiering van de haarband in het midden van haar voorhoofd en gekamde haren.

Op straat komt ze niet meer vanwege het virus. Lopen doet ze met een rollator, langzaam. Voorheen tot soms een paar blokjes om, zo’n zes huizen heen en terug.
‘Kan dat nog wel, zo op straat lopen?’ vroeg ze zich af. Maar met dat mooie weer thuis blijven vond ze ook niks. 
Dan maar in haar tuintje rondjes lopen. 

Hoe gek is het met je rollator rondjes lopen in je eigen tuin. Bewegen voor ouderen is cruciaal, zo meldde een recent nieuwsitem. ‘Je moet er iets voor over hebben om fit te blijven,’ zei ze.
Ik zag haar in gedachten met haar haarband en straks met haren tot op haar schouders rondjes schuifelen in de tuin achter haar rollator. 


donderdag 19 maart 2020

Het inburgeringsexamen

Hoe zit het met de positie van de vrouw bij het inburgeringsexamen? Het leek me goed hier achter te komen door het examen ‘de kennis van de Nederlandse maatschappij’ te gaan maken. 
Via YouTube  downloadde ik de veertig vragen van een examen uit 2019. Ik verbaasde me over de soms onzinnige vragen zoals: Wat doet u als de hond van de buren hard blaft? Wat is een ondernemingsraad? De buurvrouw heeft kiespijn, wie kan ze het beste bellen? Hoe vieren ze in Nederland de geboorte van een baby? 
Allemaal wel leuk, alleen tussen de veertig vragen zat maar één vraag over de positie van de vrouw:
Emma is in de klas bij het maken van een werkstuk de leider. Eén jongen wil dat niet. Wat kan Emma het beste doen?
A niets zeggen en bij een ander groepje gaan zitten. B zeggen dat de jongen de leider mag zijn. 
C zeggen dat meisjes even goede leiders zijn als jongens.

Het deed me denken aan de aangrijpende documentaire die ik laatst in de bioscoop gezien heb: ‘The cave’. Over een Syrische vrouwelijke kinderarts die in oorlogstijd in Syrië in een ziekenhuis werkte en hier de leiding had. In deze film kwam het onbegrip van sommige Syrische mannen duidelijk naar voren voor deze vrouwelijke arts: Een vrouw hoort niet te werken en helemaal niet als baas van een ziekenhuis. 
‘Ik ben democratisch gekozen als hoofd van het ziekenhuis,’ zo verdedigde de kinderarts, Amani Ballour, zich.

Ik vroeg hoe het zat aan een docente NT2, die de mannen en vrouwen het Nederlands bijbrengt en ook de stof voor de kennis van de Nederlandse Maatschappij behandelt. Volgens haar staat er gelukkig voldoende informatie over de positie van de vrouw in het boek voor de kennis van de Nederlandse Maatschappij. 
Dat vrouwen en mannen gelijke rechten hebben in Nederland en dat een vrouw goed leiding kan geven aan mannen is niet vanzelfsprekend voor iedereen. Dit moet bijgebracht worden. Is het dan ook niet logisch om dit te toetsen in het inburgeringsexamen? Waarom komen er niet meer vragen over om te kijken of de lesstof begrepen is?
Wat doe je bijvoorbeeld als vrouw als de hond van de buren hard blaft en de eigenaar blijkt een man te zijn?

De overheid mag het inburgeringsexamen wel eens aanpassen!



zaterdag 21 december 2019


Kerstschaamte


De sfeer rondom kerst is uniek.
Versierde winkels en huizen met lichtjes. Schuifelende mensen met cadeaus in rood glanzend papier onder de arm. Glinsterende kerstballen, muziek, chocolade kransjes, brandende kaarsen en het opsnuiven van dennengeur. 

En dan last but not least; boodschappen doen voor het diner en iets nieuws kopen om aan te trekken. Commercie en kerst zijn broer en zus. Alles tot één doel; klanten lokken om aankopen te doen.
De etalages worden extra opgepoetst en versierd met glitter. En toegegeven. Wat is er nu leuker dan te winkelen rondom de kerstdagen als alles zo mooi is uitgestald?

Hebbe,  hebbe, hebbe, is het motto. 
Er sluipt bij mij een knagend gevoel naar binnen als ik zie hoe onnadenkend wij spullen kopen. Wordt er nog wel gekeken naar de hoeveelheid plastic die in deze wegwerpcultuur gekocht wordt en hoe zit het met het voedsel dat we met z’n allen verspillen?
Weer een extra colbertje en een nieuwe blouse. Zou het niet een idee zijn om kleren te ruilen met een vriend of familie? Recycling, hoe leuk is dat.
En iedereen heeft toch nog wel iets moois in de kast hangen om weer aan te trekken. Moet het nu echt iets van de laatste mode zijn? Dat koopgedrag kan best iets minder.

Groente kan ook zonder plastic verpakking gekocht worden. Of thee, koop het los en zet het in een thee-ei. Dan heb je meteen een leuk cadeautje.
Er worden blindelings liflafjes gekocht, puur en alleen om het kopen. En kerst is een uitgelezen tijdstip hiervoor.

Vanochtend was ook ik één van die winkelende mensen die de verleiding niet kon weerstaan om iets voor kerst te kopen. Een kerststukje met een metalen roos in het midden. Het was een cadeau en zat in een glazen pot in plaats van in een van plastic. Dus goed, dacht ik. Daarna deed de verkoopster er een plastic papiertje om. Eigenlijk niet nodig, dacht ik later. Is het nou echt zo erg wanneer er niets uit te pakken valt? 

Tot mijn schaamte moet ik bekennen nog twee goudgekleurde takken gekocht te hebben. Ook een cadeautje en diegene voor wie het was, was er blij mee. En kopen is gewoon leuk, zeker als ik zie hoe mooi ze in een vaas op de schoorsteen bij haar staan.




woensdag 15 mei 2019

Dievegge


Op een verloren zaterdagmiddag moest ik naar Van Piere om wat te kopen. Samen met een vriend liep ik de boekhandel binnen. En ja, het moest mij weer overkomen. Het alarm ging af. Precies toen wij gelijktijdig de winkel binnenliepen was er een luid en duidelijk piepsignaal te horen. Doen alsof er niets aan de hand was, had geen zin met die herrie. Natuurlijk probeerde ik het wel en voorzichtig schuifelde ik samen met mijn vriend, die me vragend met gefronste wenkbrauwen aankeek, de boekhandel binnen, mijn ogen op de vloer gericht. Er kwamen mensen vanuit de kelder naar boven lopen. Zij hadden mij niet zien binnenkomen en zagen mij wellicht aan voor een dievegge die een boek naar buiten had willen smokkelen.

Een verkoopster kwam op ons toesnellen. Mijn tactiek van een ik-weet-van-niks had geen zin.
‘Het alarm ging af,’ zei ze uiterst vriendelijk.
‘Oh, ja… waren wij dat?’ stamelde ik.
Mijn vriend, alert als hij was, liep alleen door de deur om zo uit te vogelen wie van ons de schuldige was.
Het bleef stil.
Was ik het dan?
Het was onvermijdelijk om ook terug door de deur te lopen. Weer een luid gepiep.
Alle ogen waren nu op mij gericht.

‘Heeft u misschien iets nieuws aan?’
‘Nee, absoluut niet. Ik weet het zeker.’
‘Misschien een boek uit de bibliotheek?’
Kon een boek uit de bieb dan ook al een alarm veroorzaken? ‘Ja,’ zei ik opgelucht. We wisten nu de reden.

Het boek ging door de scanner bij de deuropening. Geen geluid.
‘Mag ik misschien in uw tas kijken?’ vroeg de verkoopster, nog steeds volop glimlachend. ‘Dan zal ik het proberen op te lossen.’

In mijn tas zaten proppen met krantenpapier. Het zag er niet uit.
‘Daar zitten wat kopjes in verpakt,’ zei mijn vriend verontschuldigend.

Nu ging de tas langs de scanner. Weer geen gepiep.

Ik kreeg een duister vermoeden waarom het alarm afging.
Vaag herinnerde ik me mijn nieuwe aankoop van twee T-shirts waarvan ik er eentje droeg.
Moest ik onopvallend onder mijn T-shirt gaan voelen naar een niet afgeknipte labeltje waarop stond: voor gebruik verwijderen. Was ik zo stom geweest het er niet af te knippen?
Ik trok mijn T-shirt omhoog en zag het labeltje zitten.

‘Ik bedenk me dat ik toch wat nieuws aanheb,’ zei ik schuldbewust en liet het harde stukje katoen zien.
De verkoopster pakte een schaar en knipte het eraf. Nu bleef het stil bij het in- en uitlopen van de winkel. Wat een gezeur om niets, dacht ik.
‘Geeft niet hoor, is mij ook wel eens overkomen,’ zei de verkoopster.




De dirigent



Pas geleden ben ik met een vriendin naar de film ‘De Dirigent’ geweest; een film over passie, liefde en het dirigentenvak. Een waargebeurd verhaal over een vrouwelijke dirigent die eind jaren twintig furore maakte door haar ambitie een symfonieorkest te dirigeren.
Zeker voor mensen zoals ik die van muziek houden, een prachtige film. Hier en daar is er een vleugje romantiek doorheen verweven. De hoofdpersoon, Antonia Brico, moet kiezen tussen haar grote liefde of de muziek. Iets waartussen ze moeilijk een keuze maken kan.
Deze tweede verhaallijn geeft het verhaal meer diepte omdat het laat zien hoe het gewone leven door gaat.
De film is niet alleen bijzonder omdat Brico laat zien hoe je met doorzettingsvermogen en passie je dromen waar kunt maken, zij vertelt ook het verhaal van een  dirigent die de grote symfonieorkesten leidt.
Er wordt Engels en Nederlands gesproken in de film en als de bekende Nederlandse acteur Gijs Scholten van Aschat, die de beroemde dirigent Mengelberg speelt, in beeld komt dan lijkt het of hij verzeild is geraakt in een Hollywoodfilm. De sfeer, de muziek en de geweldig acterende acteurs hebben alle glamour die een goede film uit Hollywood heeft. Antonia Brico, gespeeld door Christanne de Bruijn speelt met overtuiging haar rol als dirigent. De film, die je meeneemt naar eind jaren twintig, boeit van het begin tot het einde.
Qua inhoud is het een item over vrouwenrechten. Zelfs vandaag zijn vrouwelijke dirigenten aan de top een zeldzaamheid. In ons land is er dit jaar pas voor het eerst in de Nederlandse geschiedenis een vrouwelijke chef-dirigent bij een groot symfonieorkest aangenomen: Karina Canellakis. Zij dirigeert het Radio Filharmonisch Orkest.
Antonia Brico was destijds de eerste vrouwelijke dirigent ter wereld die met succes grote symfonieorkesten dirigeerde. Ze kreeg nooit een vaste aanstelling als dirigent en bleef altijd gast-dirigent. Ook kreeg ze in het begin van haar carrière het advies om niet naar het conservatorium te gaan.
Het belette haar niet om door te gaan met haar grote passie: muziek maken en dirigeren. En daar gaat het uiteindelijk toch allemaal om; je dromen achterna gaan en die waarmaken.


woensdag 6 maart 2019

Het paradijs

Naar aanleiding van de poëzieweek leende ik een bundel van Judith Herzberg uit de bibliotheek.
Laatst midden in de nacht pakte ik haar bundel uit de kast. Simpele gedichten zonder poespas en overdreven veel regeltjes. Mijn oog viel op het volgende gedicht:

HIERNAMAALS

Als ik, nadat ik dood ben, nog
ergens rond mag dolen, laat het dan
op de markt zijn, in geur en kleur.
En mag die markt dan open zijn
onder de blote hemel. En mag ik dan
als vroeger met mijn moeder
zo’n puntzak gloeiend hete frites
(met veel zout uit zo’n gebutste
strooibus) met haar delen.

Hoe simpel kan de gedachte aan het hiernamaals zijn.

Pas geleden is de J.M.A. Biesheuvelprijs uitgereikt aan Maria Vlaar voor de mooiste verhalenbundel van het jaar, Diepe aarde.
DWDD besteedde aandacht aan de Week van het Korte verhaal en er werd een grandioos mooi verhaal van de schrijver Maarten Biesheuvel voorgelezen: DE DIENST. Hoe het verplaatsen van de top van een berg in zijn werk gaat. Het gaat er niet om of alles echt mogelijk is wat Biesheuvel schrijft. Het gaat om het verhaal an sich.

De surrealistische schrijfstijl laat je geloven dat het kan, ook al kan het niet uitgelegd worden.
Fijn om te horen. Het zal een hele opluchting voor veel schrijvers zijn. Ook ik krijg wel eens kritiek als ik fictie schrijf of alles wel klopt. Ik moet me er dus niet zo druk om maken zo lijkt het. Schrijven en je fantasie botvieren op papier. Al het onmogelijke al schrijvende waar laten worden en fantasie met absurdisme laten versmelten. Dat is ook een stukje paradijs.


dinsdag 5 maart 2019

Minpuntje

Ik ben niet meer zo op de hoogte van het leven van een roker. Ik rook al bijna twintig jaar niet meer en veel rokers in mijn omgeving heb ik niet.
‘Ik ga even een shaggie roken,’ zei een kennis na afloop van een concert in het muziekcentrum. Ik was verbaasd. Mocht en kon je dan nog roken in openbare ruimtes? Was er toch nog een hoekje voor rokers?
‘Rookt er niemand met me mee?’ vroeg ze.
‘Ik hoef nu even niet,’ zei een derde.
Ik vond het sneu voor haar om alleen te moeten roken en zei: ‘Ik ga wel met je mee om je gezelschap te houden. Waar gaan we naar toe?’
‘Kom, ik weet waar we moeten zijn.’ Het was behoorlijk druk en we wrongen ons overal tussendoor met geduw en ‘sorry’ geroep. We liepen naar buiten waar drie mensen in het donker onder een parasol stonden te roken. Het was behoorlijk koud en het miezerde. Niemand had een jas aan.
‘Handig die parasols, houden de regen tegen,’ zei ik. Ik wreef met mijn handen over mijn armen. ‘Brrr koud…’
Al gauw raakte de kennis aan de praat met de drie andere rokers. Ze had mij helemaal niet nodig. Had ik kunnen weten door mijn vorig leven als roker. Rokers, het viel niet te ontkennen, waren gezellige mensen onder elkaar. Soms miste ik m’n sigaret en de saamhorigheid met andere rokers. In de loop van de jaren was het steeds moeilijker geworden om te roken. Het werd overal verboden en zelfs privé hadden vrienden van mij een bordje ‘niet roken s.v.p.’ neergezet in de woonkamer. Het idee steeds meer een uitgestorven diersoort te zijn, deed me besluiten te stoppen.
Inmiddels waren er weer een paar man bij gekomen die driftig aan het paffen waren. Ik bestierf het onderhand van de kou.
‘Heb jij het niet koud?’ vroeg ik aan die kennis van me.
‘Nee, ik heb speciaal een dik vest aangedaan.’ Mooi, ze had erop gerekend.
‘’t Valt wel op. Niemand heeft een jas aan,’ zei ik en knikte met mijn hoofd naar de mensen die aan het roken waren.
‘De jassen hangen beneden in de garderobe, dan zou je die eerst moeten halen en kan je daarna pas gaan roken…’
Ze rookte het shaggie tot op het laatste stukje op. Ze brandde haar vingers haast.
Een jongen met krullen, die stond te roken bij de schuifpui, kwam bij ons staan. Ik schatte hem een jaar of twintig jonger dan ik. Hij keek naar me, zei iets tegen mijn kennis en stootte haar aan.
‘Die krullenkop zei dat er wel een minpuntje was,’ zei de kennis.
‘Hoezo?’ vroeg ik. ‘Wat was een minpuntje?’
‘Dat ben jij. Dat je niet rookt.’
‘Lijkt me een pluspuntje.’ Ik lachte.
‘Nee, hij zei dat het een minpuntje was.’